Hardenberg

Tweede Wereldoorlog

Door de redactie

Dick van der Maal vertelt een verhaal uit zijn boek: "Opa Dick vertelt Het verhaal van een bijzonder leven'. "Het gaat grotendeels over mijn tijd bij de Marine Luchtvaart DIenst van 1954 tot 1989. Ik heb het geschreven voor mijn kinderen, klein- en achterkleinkinderen en goede kennissen. Mijn geheugen gaat terug tot de jaren 1943/1944. De tweede wereldoorlog was nog in volle gang. Als er luchtalarm was ging het hele gezin, inmiddels uitgebreid met broers Eric en Hans, naar de kelder, waar kaarsen, water en dekens waren. Ik kon de inslagen van bommen horen. Als de sirenes het einde van het luchtalarm aangaven ging ik de straat op en soms kwam ik met een bom- of granaatscherf thuis. Voor kinderen van mijn leeftijd was het best wel spannend".

De strenge winter 1944 werd niet voor niets de hongerwinter genoemd. In het niet bevrijdde deel van Nederland werd echt honger geleden, voornamelijk in de steden en dorpen. Mijn grootvader was koster van de Nederlands Hervormde kerk op de Brink in Baarn. Dat was geen baan die genoeg opleverde om van te kunnen leven en daarom was hij ook hovenier bij de familie Pierson van de bankiersfamilie Mees en Pierson. Bij het grote landhuis op de hoek van de Gerrit van der Veenlaan en de Oude Utrechtseweg, was een dito tuin en met Opa ben ik daar bloembollen uit de grond wezen halen die gekookt en opgegeten werden. De smaak kan het beste omschreven worden als gekookte uien zonder smaak. Om zoveel mogelijk energie te besparen en toch warm te blijven bleef het hele gezin vaak in bed, bij vader en moeder en als kind vond ik dat best gezellig. Voor de verwarming werden bomen omgezaagd en die waren er gelukkig genoeg bij ons in de omgeving. Soms had ik het geluk om een stuk steenkool te vinden bij het kleine stationnetje van de lijn Baarn naar Utrecht, waar de stoomtreinen van water en kolen werden voorzien. Soms kreeg ik een schop van een Duitse bewaker, maar de meesten knepen een oogje toe.

Onderwijs werd zo goed en kwaad als het ging gegeven o.a. op de Montessorischool door juffrouw Simons. Mijn eerste diploma was het diploma voor het kunnen opzeggen van het Onze Vader!

Als oudste van de kinderen was ik aangewezen om met de voedselbonnen of stempelkaart bij de Centrale Keuken in het gymlokaal van de Oorsprong, eten te gaan halen. Dat was meestal een warme waterige soep. Toen het een keer geijzeld had gleed ik uit op het trappetje van het gymlokaal en lag mijn soep op de grond. Ik durfde niet naar huis en liep huilend door het dorp. Iemand heeft zich toen over mij ontfermd en naar de Centrale Keuken gebracht. Daar moest ik wachten tot iedereen was geweest en kreeg toen alsnog wat soep. Ik herinner mij ook nog dat mijn moeder, met mij op een plat karretje, de boer op ging om dingen van waarde te ruilen tegen voedsel. Zo'n tocht duurde vaak een dag en soms twee dagen omdat ze steeds verder weg moest, tot op de Veluwe aan toe. Ik lag onder een stapeltje dekens en als de Duitsers ons controleerden zagen ze een scharminkel en mochten wij verder.

Wij hadden op zolder onderduikers en op de eerste verdieping ingekwartierde Duitsers. Na de oorlog ben ik nog een paar keer bij de familie die bij ons ondergedoken heeft gezeten op vakantie geweest. Zij woonden toen aan de Molenweg in Ede waar zij een grammofoonplaten zaak hadden. Ik heb begrepen dat wij met die Duitsers echt geluk hebben gehad. Zij namen af en toe wat extra brood mee en zorgden ook voor penicilline toen ik drie keer door longontsteking werd geveld.

Eind april 1945 verdwenen de Duitsers langzamerhand uit Baarn en op 7 mei was de bevrijding door de Canadezen een feit. Ik herinner mij nog de vreugdetranen bij mijn ouders. Ik ben met een gevonden hoepel op weg gegaan naar de Oranjeboom, dat lag op de kruising van de Gen. van Heutzlaan, de weg Amsterdam-Amersfoort en de weg naar Hilversum. Onderweg bij een van de villa's aan de Gen. Van Heutzlaan werd ik geroepen door een Canadees. In mijn onschuld dacht ik dat het misschien om die hoepel ging. Ik kreeg echter een witte boterham met boter erop. Ik had mij voorgenomen hem mee naar huis te nemen. Maar omdat ik elke keer een heel klein hapje nam en het best nog wel een eindje lopen was, bleek er bij thuiskomst nog maar heel weinig van over.

Mijn broer Rob werd op 25 februari 1946 geboren in een villa aan het einde van de Nassaulaan die als noodhospitaal was ingericht.

Een dag later ging ik door tussenkomst van het Rode Kruis met de trein naar Zwitserland om opgelapt te worden.

Via een opvanghuis in Adelboden kwam ik terecht bij een boerengezin in Engwilen bij het Bodenmeer. Naar huis schreef ik dat wij over de Rijn waren gegaan, die wel 12 meter dik was en dat er op de boerderij geen kinderen waren, alleen meisjes! Bijzonder is wel dat mijn latere echtgenote omstreeks diezelfde tijd in hetzelfde opvanghuis heeft gezeten!

Langzamerhand nam het normale leven weer zijn loop alhoewel het nog wel enige tijd duurde voordat allerlei dingen weer verkrijgbaar waren. Veel zaken voor de eerste levensbehoeften waren op de bon.

In 1954 ging ik als 16-jarige naar de Marine. En werd na een opleiding tot radio-radarmonteur in 1957 voor anderhalf jaar uitgezonden naar Nieuw-Guinea. De indrukken die ik daar als jongen op deed hebben mij veranderd. Niet te snel oordelen over anderen of zaken waar je het fijne niet van weet hoorde daarbij. In 1960 met de Doorman weer naar Nieuw-Guinea en in 1962 voor de derde keer. Eind oktober moesten wij het eiland verlaten. Nieuw-Guinea werd overgedragen aan Indonesie. Wat veel indruk op ons maakte omdat wij wisten wat de Papoea's te wachten stond en dat niet veel zou verschillen wat ik in oorlogstijd had meegemaakt!

Op de foto de intocht van de Canadezen in Baarn.

Door Dick van der Maal.