even sToren

Geen vuurwerk straks


Honden, katten, flappies, alles blij, behalve wij. Dat is te zeggen, ik zal er niet om treuren.

Ik ben niet tegen vuurwerk en ik gun een ander z’n pleziertje. Ik wil ook niet zeuren over al dat geld. Kan ik wel heel vroom over doen, zo van: geef het toch aan het Rode Kruis. Maar hé, kom: ik vis. De één gooit het in de lucht, de ander gooit het in het water. 

Allebei knetter.

Nee, ik ben in mijn jeugd geconditioneerd tegen vuurwerk. Het is allemaal de schuld van de broer direct onder mij. Hij heeft één oog en daarom mocht ik geen vuurwerk. Als hij nu eens gewoon uit z’n doppen had gekeken, had ik lekker kunnen knallen. Het is een oneerlijke wereld. Eén oog hebben was sowieso al een extraatje. Als hij een meisje in de klas in katzwijm wilde laten vallen, tikte hij, zodra hij haar blik had gevangen, even met de punt van zijn ball
pen tegen de pupil van zijn glazen oog. Succes verzekerd. Ik dwaal af.

Vuurwerk. Wilde ik geen vuurwerk? Natuurlijk wilde ik vuurwerk: astronauten en strijkers (in die tijd gooide men nog niet met granaten). Als puber kon ik hoog springen of laag springen, ik kreeg het niet. Illegaal aanschaffen dan maar? Tut, tut, ik zou toch theologie gaan studeren… Maar al was ik voor one-armbandit gaan studeren, ik was al geconditioneerd. Op basisschoolleeftijd stamde mijn vuurwerk van de nieuwjaarsmorgens. Uit de goot geraapt, een tikje slof, lontjes met lepra, maar ach, een dag of wat op de radiator in mijn slaapkamer en dan wilde er nog wel eens iets ploffen. Op die slaapkamer bijvoorbeeld. Vond vader niet leuk. En ik zal in klas vier (groep 7?) hebben gezeten, toen op klokke twaalf (wij mochten - hoe hypocriet - wel naar andermans vuurwerk kijken) een gillende keukenmeid van een n.n. recht omhoog langs de panty van een buurvrouw verdween. Ook het bierflesje - met daarin iets indrukwekkends van de stoere buurjongen - dat zich middels een knal met tien vermenigvuldigde zal ik niet licht vergeten. Ik ben in mijn jeugd verknald. Niets aan te doen.