Op het Twente'randje'

‘Achter oet'n hals proaten’ (30-10)






Ook wel bekakt praten genoemd. Het was een hele ervaring, om helemaal naar Zwolle te gaan om een studie te doen. De eerste week van het schooljaar vond ik het best lastig. Niet de vakken, de leraren of de andere studenten, maar de taal. Ik praatte zo plat als een dubbeltje. Ze verstonden me niet.
   Stond ik daar, te praten, gezichten die me aankeken, alsof ik in een andere taal sprak. Om me toch te redden ging ik letten op wat ik zei. Langzamerhand ging het de goeie kant op. Nu ik door het hele land reis, verstaat iedereen me (hoop ik). Ze horen nog wel dat ik uut Twente kom, maar dat vind ik prima.
   Er zijn natuurlijk wat uitzonderingen. Als ik geëmotioneerd ben, iets snel wil uitleggen, iets te enthousiast ben of moe, schiet ik nog wel eens terug naar het dialect. Ook als ik hier in de buurt werk praat ik vaak plat.
   Het heeft wat, zo’n eigen taal. Het doet me denken aan mijn oudtante Garregie, zittend op de bank. Elke dag fietste ik langs haar huis, richting school of weer terug naar huis. Elke dag zwaaide ze. Ze praatte ook zo plat. Ik mis haar stem, haar taal, haar nuchtere humor. Op visite gaan was altijd een feestje. Ze vertelde de mooiste verhalen, over oma (haar zus), over het vroegere leven.
   De tijd heeft niet stilgestaan. De tijd blijft altijd hetzelfde ritme houden, maar onze indruk van tijd wordt met de jaren anders. Van zeeën van tijd, naar geen tijd meer hebben. Ik betrap mezelf er vaak op. Even kijken of ik er tijd voor heb. Even mijn agenda checken of ik wel kan. Ik bel je zo terug, dan heb ik tijd voor je. Het lijken woorden en zinnen die niet meer kunnen stoppen.
   De grootste uitdaging blijft toch wel om echt tijd te nemen voor een ander. Want voor mensen die nauwelijks andere mensen zien, gaat de tijd maar langzaam voorbij.